|
Bewaard gebleven zijn vooral de grotere instrumenten. Kleine fluitjes zijn haast niet bewaard gebelven, omdat ze werden "afgespeeld".
Door alle eeuwen gebruiken blokfluitbouwers het liefst zachtere houtsoorten
zoals esdoorn, berk, bukshout en vruchtbomenhout. Deze houtsoorten zijn
gemakkelijke te draaien en te bewerken en geven in het algemeen een warme toon.
Een van de oudste bouwers waar instrumenten van bewaard zijn gebleven was Hans Rauch von Schratt, werkzaam in Schrattenbach, een klein dorp, in Beieren. Hij maakte in 1535 onder meer kolomblokfluiten (gesloten orgelpijpprincipe). Een mooi voorbeeld is daarvan te zien in het Instrumentenmuseum in Brussel. Er was in diezelfde tijd (1450 - 1550) ook nog een Casper Rauch von Schratt(enbach)
Ganassi n de greeptabellen van de Opera Intitulata Fontegara uit 1535, Venetië, staan in de afgebeelde fluiten drie verschillende fluitmeestertekens: "B", niemand weet noch waar dat op slaat, "A" vermoedelijk van de in München en Neurenberg werkzame familie Schnitzer (stamvader: Albrecht Schnitzer), "klaverblad"-teken, kenmerk van instrumentenbouwer Hans von Schratt.
De kop van de eerste fluit van de greeptabel in de Opera Intitulata Fontegara (1535) is van een gotische hoofdletter
"A" voorzien.
De fluiten waar Ganassi over schrijft zijn de basso
(basset) in F, tenore (tenor) in c en sopran (diskant)
in g. IDe fluit SAM 135 komt oorspronkelijk uit het Italiaanse kasteel Catajo bij Padua, en is aan het eind van de 19e eeuw door de Habsburgers, uit angst voor acties van Italiaanse nationalisten naar Wenen overgebracht (Alec V. Loretto, FoMRHI Quarterly 91, 1998). Bij de fluit hoort een etui (SAM 171), dat voor vier fluiten gemaakt is, dus de "Ganassifluit" was onderdeel van een consort (Maggie Lyndon-Jones FoMRHI Quarterly 92, 1998). De fluit SAM 135 was vermoedelijk dus onderdeel van een blokfluitkwartet (c1, g1, g1, d2 , dus niks solistisch gebruik! (Adrian Brown: Tibia 4/2005). Op zowel foedraal als fluit (voet) is een "hazenpootteken" (!!) te ontdekken (zie verderop bij Bassano.) In feite is de "Ganassifluit" in de 70er jaren van de 20ste eeuw "uitgevonden", en heeft zich, vooral door het werk van Fred Morgan ontwikkelt toct een lievelingsinstrument van de moderne bloklfuitspeler, waarvoor 40 eigentijdse composities zijn geschreven. (Adrian Brown: Tibia 4/2005).
Een interessante schriftelijke bron is van Eycks Fluyten-Lusthof, die de toen gebruikelijke Hand-Fluyt met greepwijzen beschrijft.
Bij de bewaard gebleven Renaissance-consorts vinden we drie soorten boringen: konisch, "getrapt"(gestuft?) en cilindrisch. De bekende blokfluitenbouwers (HIES, Rauch, Schnitzer) gebruikten alle drie boringen tamelijk gelijkmatig. Met een cilindrisch geboord instrument, dat een trompetachtig voetstuk heeft, kan met aan de hand van de greeptabellen uit de Fontegara van Ganassi (1535) "tot aan de sterren spelen". Volgens Adrian Brown bestonden de meeste consorts uit instrumenten in vijf grootten, op F-c-g-d'-a' (a'= 466 Hz) gestemd. (Tibia 2/2004). Van Boaz Berney (Den Haag) leer ik dan weer, dat de meeste bewaard gebleven instrumenten ongeveer a'= 408 Hz gestemd zijn en dat maar 20% van de instrumenten hoger dan a'= 430 Hz liggen. Sopraanblokfluiten in c' kwamen in die tijd niet voor. Dat is vermoedelijk een product van de vroege 17de eeuw (David Lasocki, Tibia 1/2010)
Een van de oudste en bekendste familie blokfluitbouwers is de familie Bassano De fluiten van de familie Bassano zijn gemerkt met een "hazepoot-teken" (!!) wat in werkelijkheid een zijdespinner voorstelt, die in het familiewapen van de Basano’s voorkomt. (David Lasocki; The Bassanos Makers’s Mark Revisited, The Galpuin Society Journal 46 (maart 1993): 114-119.)
(Noot: Adrian Brown, de bekende blokfluitbouwer gelooft hier niets van!
De enige ontwijfelbaar geïdentifideerde renaissancefluiten zijn de van
Schrattenbach, van Rafi en van Schnitzer, en dan nog is
het vaak onmogelijk vast te stellen van welke generatie van deze bouwersfamilies.
Adrian Brown; Tibia-interview 1/2003.) Over Jeronimo I schrijft een Venetiaanse arts, Lorenzo Marucini, in 1577: Maestro Gieronymo, il Piva genoemd, uitvinder van een nieuw houten blaasinstrument, uitmuntent houtblazer." Zijn vijf zonen
Alvise, John, Jasper, Anthony I en Baptista Bassano, werden door
koning Hendrik VIII in 1539 naar Engeland gehaald
als bloklfuitconsort in dienst van het koninklijke hof. n het Museo degli instrumenti musicali in Rome bevinden zich vier blokfluiten die oorspronkelijk zijn verzameld door Benedetto Marcello, bekend door zijn 12 blokfluitsonates. Ook deze hebben een "hazepootstempel", dus van Bassano? (Maggie Lyndon-Jones; FoMRHI Quartertly 90, 1998).
In Frankrijk werkten ook Bassano's in Lyon. Daarnaast wordt in Lyon een Jaques Pillon als "faiseur de flustus und joueur de fluste" vermeld. Ook werden vader Michaud Rafi en zoon Claude Rafi (Lyon, 1515-53) als "fleustier & fleusteur" aangemerkt. (Windkanal 2003/4). Er zijn muziekwetenschappers die denken dat de blokfluiten op de fresco van Romanino in Trente blokfluiten van Claude Rafi zijn.
De muziekinstrumentenverzameling van de Accademia filarmonica di Bologna , gegrondvest door graaf Vincenzo Maria Carrati (1634-1675), bevat 65 instrumenten, waaronder 13 blokfluiten. Van deze blokfluiten zijn er twee gestempeld met C: RAFI (een tenor, een basset) en 9 met PtGRECE (4 tenoren, 3 bassetten, 2 grootbassen ), 1 met !! !! (tenor) , en een volledig anonym (tenor). Al deze blokfluiten staan vermeld in een notariële kopie van het testament van Carrati. De blokfluiten werden voor het eerst in 1981 opgemerkt door Filadelfio Puglisi ("The 17th-Century Recorders of the Academia filarmonica of Bologna" Galpin Society Journal 34 (1981) blz. 32-43). Hij dacht dat alle blokfluiten wel eens gebouwd zouden kunnen zijn door nakomelingen van de Franse blokfluitbouwer Claude Rafi. Die zijn namelijk in Noord-Italië van het eind van de 16e tot het midden van de 17e eeuw aan het werk geweest. De Romeinse blokfluitbouwer Francesco Li Virghi veronderstelt dat P.Grece in de werkplaats van Rafi heeft gewerkt als instrumentmaker, dat het misschien wel zijn broer was. (Marco Tiella: Windkanal 2004-3) 1646 - 1705 Richard Haka. 15 blokfluiten in Nederland bewaard. Geboren in Londen (Harker?) in 1646. Vader Thomas maakte wandelstokken en kwam in 1652 als jongen met zijn familieuit Londen naar Amsterdam. Zijn vader was wandelstokkenmaker In 1676 is hij getrouwd met Grietje van den Bogaart. Woonde in de Kalverstraat, aan het Spuy "In de vergulde Basfluyt"(!!), Singel en Keizersgracht. Maakte zowel ééndelige blokfluiten (daar zijn er drie van) in vroegbarokke als driedelige instrumenten met uitbundig draaiwerk en een gecompliceerde inwendige vormgeving volgens de nieuwe franse stijl. Overleden in 1705. In 2003 is bij opgravingen in de Amsterdamse wijk De Jordaan een eendelige sopraanblokfluit van Richard Haka opgegraven. De fluit is van een soort palissander versterkt met ivoor. De vindplaats is niet ver van het Spui. Het is het enige teruggevonden instrument met zo'n sterke Amsterdamconnection. Onder inventarisnummer TLDW-1 is het in het Historisch museum in Amsterdam tentoongesteld. (Tibia 3/2004) Een identieke Richard Haka fluit van ivoor was al eerder te bewonderen in de Endinburgh University Collection. In het jaar 1685 verkocht Richard Haka 40 instrumenten aan de Zweedse koninklijke Marine. Daaronder waren 9 blokfluiten van bukshout: Bass, quint, taille (3), alt (2) en discant (2) Vermoedelijk waren dat een Basset, tenor, alt, Third of fourth flute en sopraan (Jan Bouterse: Journal of the American Musical Instrument Society 26, 2000) Zie ook de paragraaf "Bewaard gebleven (Nederlandse) blokfluiten"
De Rosenborg-blokfluiten zijn twee blokfluiten in vroegbarokke stijl, vervaardigd uit de stoottand van een narwal. De fluiten zijn vóór 1673 gebouwd en ergens tussen 1673 end 1696 uit het koninklijk paleis in kopenhagen naar Slot Rosenborg overgebracht. In 1980 werden ze daar door Eva Legène (zie geschiedenis 3/ Amerika) ontdekt. Eva Legène vroeg Fred Morgan voor haar kopieën van narwal te maken. Dat deed Fred en sindsdien gebruikt Eva deze kopieën tijdens concerten. Er zijn ook kopieën gemaakt door Ture Bergstrsøm (zie geschiedenis 3/ Scandinavië)
Neurenberg was een van de beroemdste
centra voor blokfluitenbouw
(c'' c'' f' f' c' c' f ). Het "Kynseker-Consort" is van pruimehout. Klank en stemming zijn van matige kwaliteit, maar de instrumenten zijn nog in goede staat en als zodanig een lonend voorbeeld voor reconstructie. Ze zijn bewaard in het Germanisches Nationalmuseum Nürnberg. Hieronimus Kynseker was de eerste bouwer van houten blaasinstrumenten die zijn volledige naam en woonplaats op zijn instrumenten stanste. Er zijn elf blokfluiten en één flageolet van hem bewaard gebleven.
Voor de ontwikkeling van de blokfluitenbouw in Duitsland zijn de blokfluiten van Johann Christoph Denner (Neurenberg, 1655-1707) van grote betekenis geweest. Kennelijk was er ook een Johann Carl Denner, een specialist op het gebied van blokfluit en flageolet, die op mysterieuze wijze uit 1702 uit Neurenberg verdween. (Windkanal 1/01). En dan lees ik nog wat over een Jacob Denner (Neurenberg, 1681 - 1735) waarvan verkooplijsten bestaan uit 1710 (4 altblokfluiten. 1 tenor, 1 bas) en 1720 (3 altblokfluiten, 1 tenor, 2 bassen)
Er zijn enkele boklfuiten bewaard gebleven van Nikolaus Staub (Neurenberg, 1664-1734).
Van 1674-1711 leefde in Neurenberg de blokfluitbouwer Johann Benedikt Gahn. Er zijn ongeveer 18 blokfluiten van hem bewaard gebleven, meestal uit ivoor vervaardigd. Een prachitge sopraanblokfluit bevindt zich in de particuliere verzameling van Willi Burger, Zürich (was in 2002 79 jaar)
Er is nogal wat onenigheid over de stemming van altblokfluiten. Er zijn vijftien bewaard gebleven altblokfluiten van Duitse blokfluitbouwers (vooral van Gahn en Oberlender uit Neurenberg) met een lengte van 43 - 45 cm (A= 466 of hoger) Twee altblokfluiten van Rippert (Parijs) zijn 46 cm lang
De stemming in de 17e eeuw was ca. a'=460 Hz.
Er zijn veel prachtige bewaard gebleven instrumenten van beroemde blokfluitbouwers zoals Peter Bressan (Engeland 1663-1731), Denner (Duitsland), Steenbergen en Terton (Nederland), Thomas Stanesby senior (Engeland, 1668 - 1734) en Thomas Stanesby junior (Engeland, 1692 - 1754) .
Jan Steenbergen perfectioneerde na 1700 aan zijn draaibank in Amsterdam een prima altblokfluit. Een enkel exemplaar is overgebleven en veel nagebouwd.
In het magazijn (waarom daar?, vraag je je af) van het kasteelmuseum in Quedlinburg (Duitsland?) bevinden zich 5 eendelige renaissance blokfluiten in een foedraal, waar er duidelijk 7 ingezeten hebben (g d' d' g' g' niet aanwezig: c' c') De blokfluiten gemerkt met het merkteken van Johann (Hans?) Schell (1660-1732). Vermoedelijk zijn ze gemaakt door een voorganger van Schell, die het merkteken heeft doorverkocht. Rüdiger Herrmann (Tibia 3/2003) houdt het op circa 1600. Wel uit Neurenberg, natuurlijk.
Wie de dure blokfluiten uit Neurenberg niet kon betalen, ging naar minder beroemde bouwers: Walch (Brechtesgaden), Scherer (Butzbach), Schlegel (Basel). Verschillende waardevolle blokfluiten van Christian Schlegel zijn in het Muziekmuseum van Basel bewaard, waaronder een barokke dubbelblokfluit. en twee basblokfluiten in G.
En er werden omstreeks 1720 blokfluiten gebouwd door Peter Eggl (*1687) en N. (Nikoalus?) Fische, bewaard in het Germanisches Nationalmuseum Nürnberg.
In Butzbach (Hessen) werkte de familie Scherer: Johannes Scherer I (1664-1722), die het vak vermoedelijk in Parijs had geleerd, Johannes Scherer II (een bericht uit 1711) en zijn zoon Georg Henrich Scherer (1703 - 1778)
De familie Hotteterre:
Loys de Haulteterre
(† 1628, getrouwd met Jehanne Gabriel) ,
houtdraaier uit La Couture-Boussey in Normandië, was beroemd om zijn
bukshoutplantages. Bukshout werd door veel blaasinstrumentenbouwers
gebruikt. In 1651 werd Jean I lid van de hautbois et musettes de Poitou, de koninklijke stoeterij, die bestond uit schalmeien en doedelzakken. Jean II kreeg een aanstelling bij de hautbois et violons du roy, het kamerorkest van koning Lodewijk XIV. Jean I’s tweede zoon: Martin (1635-1712, getrouwd met Marie Crespy ) erfde vanaf 1659 van zijn vader het lidmaatschap van de houtboys en musettes de Poitou, en nadat zijn broer Jean II vermoord was (!!), erfde hij ook het lidmaatschap van de hautbois et violons. Daarnaast werd hij een beroemde instrumentenbouwer. Hij specialiseerde zich op blokfluiten en traverso’s. Zijn zoon Jacques Martin Hotteterre le Romain (zie componisten) gaf de instrumentenbouw in 1720 op en trok zich in feite in 1728 uit de zaak terug. Omstreeks 1660 bevond zich ook Nicolas 1653-1727, neef van Jean I in Parijs. Hij begon daar ook een werkplaats (merk "N" en een zesstralige ster) , waar hij zoveel werk kreeg, dat hij zijn vader (heette ook al Nicolas, om het eenvoudig te houden) en een paar broers er bij haalde. Onder die broers was ook een Louis Hotteterre (1647-1716) die in Parijs vlakbij de andere werkplaatsen een derde werkplaats begon (merk: "L" en fleur-de lys: een gestileerde lelie). De Hotteterres hadden op een gegeven moment twee werkplaatsen, die op Louis I en Nicolas I (merk "N" en een zesstralige ster) teruggingen. De derde zoon van Louis I: Jacques Hotteterre heeft in 1675 als musicus aan het Engelse hof gewerkt. Hij was waarschijnlijk degene die Franse houtblaasinstrumenten in Engeland invoerde . De Hotteterres hadden vanuit Parijs een toonaangevende invloed op de technische ontwikkeling van de bouw van verschillende houtblaasinstrumenten. Hun voorstellen bij de overgang van schalmei naar hobo, van dulciaan naar fagot, van eendeligheid naar meerdeligheid bij traverso’s en blokfluiten en het gaan toepassen van een omgekeerd konische binnenboring werd door bouwers in Duitsland en Engeland dankbaar overgenomen. Ongeveer 20 instrumenten van de familie Hotteterre: alt- tenor- en basblokfliten, traverso's en hobo's zijn bewaard gebleven. Ze zijn meestal van bukshout of esdoorn, maar ook al van harde houtsoorten als ebbenhout en grenadil, met ivoren ringen en kunstig draaiwerk versierd. Alle instrumenten zijn driedelig, met een brede, konische binnenboring. Dat leidt tot een boventoonarme klank, maar wel warm, licht en rond, karakteristiek voor de barokke blokfluit. (Peter Holtslag Tibia 2/2006)
De familie Hotteterre
ontwikkelde een traverso waar goed op te spelen was. Op den duur zou dit
instrument met zijn grotere dynamische mogelijkheden de blokfluit geheel
verdringen.
Er zijn nogal wat livrets (libretto's)
teruggevonden van balletten van Lully. In het livret van
De Hotteterres vervaardigden complete blokfluitconsorts. Bij de 18 bewaard
gebleven Hotteterrefluiten bevinden zich 3 bassets. In L'amour malade, 17 januari 1657 staan tien "hautboys" vermeld, waaronder "Les Sieurs Obterre le père, Obterre fils aisné et Obterre le cadet (Vader Jean, zoon Jean, Martin) . (Anthony Rowland-Jones: Tibia 4/2004) Alle teruggevonden blokfluiten van franse herkomst uit de jaren 1640-1690 zijn in een van de drie Hotteterrewerkplaatsen gebouwd. Het betreft 18 instrumenten. (N.S. Landers Recorder Home Page": Original Recorders, Makers & Collections, 2004)
In de 18e eeuw wordt een sopraanblokfluit in Engeland Fifth flute genoemd, in Duitsland Quartflöte, in Nederland Quartfluit.
Akkoordblokfluiten
Twee op de een of andere manier aan elkaar verbonden fluiten, daarvan is al
vanaf 480 voor Christus (jonge Aulos-bepeler uit de Tombe van de Tuffatore
(grafkelder van de duiker) in
Paestum, Zuid Italië, sprake.
In encyclopedieën en traktaten uit de 17de tot de 19de eeuwe is sprake van Flauto doppio, Flûte double of Flageolet à plusieurs tuiaux. Een beroemde afbeelding van een losstaand fluitenpaar is het detail uit een fresco van Simone Martini uit ongeveer 1330 in de kapel van Sint Maarten in de onderbasiliek van de heilige Franciscus in Assisi.
In de oudste bewaard gebleven opera: Euridice (1600) van Jacopo
Peri, moet een optreden van de herder Thyrsis begeleid worden door een
Zinfonia su un triflauto.
Muziekwetenschapper Athanasius Kircher vermeldt in zijn Musurgia Universalis (1650) de Armonia di flauti, die zou bestaan uit een aanblaaspijp en vier bourdonpijpen. In Bologna is zo'n instrument, gebouwd door Manfredo Settala bewaard in het Museo Internazionale e bibliotheca della musica.
In de Enyclopédie van Diderot en d'Alembert en de daarbij
behorende illustraties, wordt in deel 5, Planche VIII een Flute d'áccord
getekend en beschreven:
Ook op de prent Der Pfeiffenmacher (de fluitenbouwer; 1698) van Johann Christoph Weigel wordt duidelijk een accoordfluit afgebeeld. Er zijn is een ivoren akkoordfluit bewaard van Giovanni Maria Anciutti (circa 1720) , en houten akkoordfluiten van Veyrat,I.P. Lebrun, Christian Schlegel, Robert Wyne, Friedrich lehner, Ulrich Ammann, en uit de werkplaatsen van Scherer en Walch. Van de Nederlandse blokfluitbouwer Michiel Parent ("Inventeur der dubbelde Fluyt") zijn vier akkoordfluiten bewaard gebleven. Hoewel de akkoordblokfuit dus een veelgevraagd en veelgemaakt instrument moet zijn geweest is er geen enkel muziekstuk voor akkoordblokfluit bekend. (Nik Tarasov: Akkordflöten, Windkanal 2008 -4) Zie voor blokfluitbouwers en blokfluitbouw in de 18de en 19de eeuw ook het hoofdstuk "De blokfluit ná de barok" |